201805.10
0

Wet DBA, verder uitstel en ietsje meer controle

De handhaving van de Wet DBA is uitgesteld tot 1 januari 2020. Alleen in gevallen van evidente en opzettelijke schijnzelfstandigheid mag de Belastingdienst ingrijpen. Daarbij moet de Belastingdienst dan wel bewijzen dat hiervan sprake is.

Vanaf 1 mei 2016 geldt de Wet DBA. Nog voordat de wet in werking zou treden, was er al flinke maatschappelijke onrust. Opdrachtgevers en opdrachtnemers vonden de regels te onduidelijk en dus de risico’s dat de feiten anders dan bedoeld zouden worden uitgelegd te groot. De ‘handhaving’ werd daarom uitgesteld tot juli 2018. Dat betekent dat de Belastingdienst bij een controle op naleving van de Wet DBA het verleden niet corrigeert tenzij er sprake is van een zogenaamde ‘kwaadwillige’. Handhaving zal zich eerst richten op de ernstige gevallen, u moet dan denken aan opzet, fraude of zwendel.

Inmiddels zijn we in 2018 en we weten nog niet met welke regels de Wet DBA vervangen zal worden. Voorlopig worden er nog veel gesprekken gevoerd met organisaties van belanghebbenden. Omdat het naar verwachting nog tot 2020 gaat duren voordat er een nieuwe wet komt en de handhaving was uitgesteld tot 1 juli 2018, zou controle op de Wet DBA na 1 juli van dit jaar wel mogelijk worden. In het regeerakkoord was al aangekondigd dat verder uitstel zou volgen. Nu verlengt de minister van Sociale Zaken het uitstel van de handhaving tot in ieder geval 1 januari 2020. Wel geeft hij daarbij aan dat de Belastingdienst vanaf 1 juli 2018 in meer gevallen kan ingrijpen dan voor 1 juli 2018. Er wordt echter niet speciaal op dit punt gecontroleerd. Alleen wanneer er om een andere reden een controle plaatsvindt, dan wordt dit punt meteen meegenomen.

De Belastingdienst mag na 1 juli 2018 ingrijpen indien er aan alle drie de volgende eisen is voldaan (naast elkaar):

  1. er is sprake van een (fictieve) dienstbetrekking (in de visie van de Belastingdienst). Dit is logisch: zonder dienstbetrekking is er immers geen enkele reden om op grond van de Wet DBA te corrigeren. Dit is dus niet echt een zware eis;
  2. er is sprake van evidente schijnzelfstandigheid. Wat hiermee bedoeld wordt, is ons niet duidelijk. Wij gaan er voorlopig van uit dat de norm moet worden gelezen als: wat denkt een buitenstaander als hij deze feiten hoort? Denk aan iemand die fulltime als zelfstandige voor een opdrachtgever aan de slag is, ook al gedurende meerdere jaren, met name in de situatie dat deze zelfstandige eigenlijk liever werknemer zou worden maar niet in de positie verkeert dit af te dwingen;
  3. er is sprake van opzettelijke schijnzelfstandigheid. Met andere woorden: partijen moeten zich bewust zijn geweest van het feit dat er mogelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de pers gezegd dat er ook sprake is van opzet indien een situatie is voorgelegd en de Belastingdienst meerdere keren heeft aangegeven dat er naar zijn mening sprake is van schijnzelfstandigheid.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *